Uit

Na maanden van onzekerheid is hij er dan eindelijk: de Algemene Maatregel van Bestuur (AMVB) die binnen de melkveewet de grondgebondenheid moet waarborgen. Bedrijven boven de 20 kilo fosfaatoverschot per hectare moeten bij uitbreiding een deel van de fosfaatproductie verantwoorden via grond. Dit betreft ongeveer 25 procent van de melkveebedrijven.

In een brief aan de Tweede Kamer legt staatssecretaris Dijksma uit waar melkveehouders die willen groeien aan moeten voldoen. Als uitgangspunt wordt 2014 genomen.

Bedrijven met een fosfaatoverschot van tussen de 20 en 50 kilo per hectare moeten bij uitbreiding een kwart van de extra fosfaatproductie op extra grond binnen het eigen bedrijf kunnen gebruiken. Dit betreft volgens Dijksma ongeveer 15 procent van de melkveebedrijven. De rest van de fosfaatgroei moet op grond van de Wet verantwoorde groei melkveehouderij volledig worden verwerkt.

Voor intensieve melkveebedrijven met een fosfaatoverschot dat groter is dan 50 kilo per hectare geldt dat zij de extra fosfaat bij uitbreiding voor de helft op extra grond binnen het eigen bedrijf moeten kunnen plaatsen. Dit gaat volgens Dijksma om ruim 10 procent van de melkveebedrijven.

Extensieve bedrijven

Voor bedrijven die meer grond hebben dan nodig is om alle fosfaat die wordt geproduceerd te kunnen gebruiken, geldt de verplichting om over extra grond te moeten beschikken niet, evenmin als voor extensieve bedrijven met een fosfaatoverschot van minder dan 20 kilo per hectare.

Ingangsdatum

De AMVB waarmee de grondgebonden groei wordt geregeld, treedt op 1 januari 2016 in werking. Maar de AMVB geldt ook voor de groei die is gerealiseerd in 2015. Toename van de fosfaatproductie door uitbreiding van de melkveestapel in 2015, moet vanaf 2016 dus ook worden verantwoord volgens de verplichtingen van de AMVB.