Maisteelt

aandachtspunten bij de maisteelt

Stapsgewijs naar een hoge opbrengst

Een hoge opbrengst van maïs wordt niet alleen bepaald door de juiste rassenkeuze. De toestand van de grond, de plaatsing van de mest en een adequate onkruidbestrijding dragen in grote mate bij aan een hogere opbrengst. Een goede voorbereiding is het halve werk, want eenmaal gezaaid kan er niet veel meer gecorrigeerd worden om de opbrengst te vergroten.

1. Monster grond

Uit gegevens van de Bodemkundige Dienst van België en van BLGG AgrXpertus blijkt dat akkerpercelen in Nederland en in België vaak niet de juiste pH hebben. Een juiste zuurtegraad is essentieel voor een goede benutting van beschikbare voedingsmiddelen. In geval van een lage pH is bekalken de enige mogelijkheid. Een te hoge pH kan verlaagd worden door af te wachten. Bemesting heeft een verzurend effect op de grond. Ook kunnen er kunstmeststoffen aangewend worden die extra verzurend werken, maar dat moet wel passen in de beschikbare mestaanvoerruimte op het bedrijf.

2. Fosfaat, stikstof en kali

Aan de hand van de beschikbare mest- en grondmonsters moet bepaald worden hoe het bemestingsplan eruit gaat zien. Bij een opbrengst van 18 ton droge stof per hectare hebben de maïsplanten ongeveer 240 kilogram stikstof nodig en ruim 80 kilogram fosfaat. De wetgeving staat echter niet toe om deze hoeveelheden aan te voeren in de vorm van mest. Daardoor is maïs een grote onttrekker van nutriënten uit de bodem. Een goed bemestingsplan met de juiste kunstmeststoffen en een drijfmestanalyse moet de behoefte zoveel mogelijk dekken, want alle voedingsmiddelen zijn van groot belang bij de ontwikkeling van de plant. Stikstof is verantwoordelijk voor de aminozuurbindingen en daardoor de algehele plantontwikkeling. Fosfaat is van belang voor een goede wortelontwikkeling en stofwisseling in de plant. Kali is belangrijk voor het transport en de vochthuishouding in de plant en ook de stevigheid van de plant is minder bij een kali-tekort. Een gebrek aan kali uit zich het eerst op droogtegevoelige gronden en kenmerkt zich door een gele kleur van de plant en verschrompelde bladranden. Ook een stikstoftekort toont zich door gele bladeren, terwijl een fosfaattekort juist weer een paarse kleur op de bladeren laat zien.

3. Andere mineralen en sporenelementen

Met stikstof, fosfaat en kali zijn drie belangrijke voedingsmiddelen van maïs benoemd. Onderzoek heeft echter uitgewezen dat andere mineralen en sporenelementen een duidelijke invloed hebben op de opbrengst. Zo komt de beschikbaarheid van zwavel vanuit de grond traag op gang.

De zwavelbehoefte van maïs neemt flink toe. Een meerjarenproef, uitgevoerd door BLGG AgroXpertus, heeft aangetoond dat een bemesting met een zwavelrijke kunstmest leidt tot een hogere opbrengst en een verbeterde kwaliteit. Er werd geconstateerd dat er naast een halve ton droge stof per hectare ook ruim 10 gram zetmeel per kilogram droge stof per hectare geoogst werd bij een dekkende zwavelbemesting. Daarom heeft de Eendracht in samenwerking met Foeke Visser (over Foeke Visser, lees meer) een aantal maismappen ontwikkeld met bijvoorbeeld de volgende samenstellingen: NPK 15-5-15 + 25 % SO2 en 0,2 B en voor wie helemaal geen ruimte heeft om fosfaat aan te voeren, heeft de Eendracht ook een: NPK 15-0-15 + 25 % SO2 en 0,2 B.

De meeste veehouders hebben weinig ruimte om fosfaat aan te voeren. Om toch een hoge opbrengst te krijgen is FhysioStart of FhysioMax bijstrooien een uitstekende optie. Groot voordeel van het gebruik van deze meststof, die door Timacagro in de Benelux (Over Timacagro, lees meer) op de markt wordt gebracht, is dat het per hectare slechts 5,6 kg P2O5 bevat waardoor de veehouder maximaal de ruimte in de drijfmestgift kan benutten. En voor loonwerkers scheelt het een heleboel gezeul met zakken kunstmest. Voor een hectare is slechts 20 kg product nodig. Bovendien is er nog groot voordeel; de plantjes die worden bemest met deze microgranulaat hebben een beter ontwikkeld  wortelstelsel. Om deze vorm van precisiebemesting toe te kunnen passen moet de zaaimachine wel worden uitgebreid met granulaatbakken. De meststof wordt zo direct bij het zaadje gelegd.  De maïsplant heeft fosfaat vooral nodig bij de start. Omdat deze gegranuleerde meststof direct bij het zaad in de zaaivoor wordt toegediend, is het na de kiem direct beschikbaar voor de eerste worteltjes. Zo wordt de haarwortelbezetting gestimuleerd en vergroot. Door de snelle wortelontwikkeling bij de start is het jonge plantje in staat al na een korte periode de voedingsstoffen uit de drijfmest op te nemen.

In de zomermaanden heeft maïs de potentie om dagelijks 200 kilogram droge stof per hectare toe te nemen. Om die potentie te benutten moet het fotosyntheseapparaat van de plant goed functioneren. Bij het fotosyntheseproces speelt magnesium een grote rol omdat het de vorming van chlorofyl stimuleert. Chlorofyl (bladgroen) zorgt voor de absorptie van zonlicht dat via het scheikundige proces fotosynthese wordt omgezet in energie voor de groei van de plant. Tot slot is er nog het sporenelement borium. Dit stimuleert de bevruchting van de planten onderling. Vaak brengt rundveedrijfmest wel voldoende borium in de bodem, maar een boriumhoudende kunstmest is een goede verzekeringspremie.

 

4. Wijze en tijdstip van bemesting

In tegenstelling tot gras heeft het tijdstip van bemesting geen effect op de latere drogestofopbrengst van maïs. Voor een juiste benutting van hoofdzakelijk stikstof moet het momentvan bemesting juist niet te vroeg plaatsvinden. De kans op een neerslagoverschot is begin maart nog te groot waardoor nitraatstikstof op onbeteelde gronden nog kan uitspoelen. Ten aanzien van fosfaat is het beter om de meeste mest aan te brengen op fosfaatrijke gronden. Onderzoek van BLGG AgroXpertus heeft bewezen dat een hogere bemesting van fosfaatarme gronden niet direct leidt tot een hogere drogestofopbrengst. Dit terwijl percelen met een hoge fosfaattoestand juist wel hogere opbrengsten laten zien ongeacht de bemesting. Omdat de beschikbare hoeveelheid mest in het voorjaar vaak gering is op melkveebedrijven, is het verstandiger om de beschikbare mest op bouwland in te zetten op de gronden die fosfaatrijk zijn, om uitputtingvan die gronden te voorkomen en het productiepotentieel te behouden.

 

5. Geduld voor het zaaien

Hoewel voor veel veehouders lastig, is het prijstechnisch interessant om het geduld te bewaren voor het inzaaien. De bodemtemperatuur moet namelijk minimaal 8 graden zijn voor een vlotte kieming van de plant. Bij een vroege inzaai is die temperatuur zelden bereikt. Dit hangt ook samen met de zaaidiepte. In de praktijk blijkt dat veel veehouders geen idee hebben van de zaaidiepte, die 3 centimeter moet zijn. Bij een inzaai half april op een diepte van 8 centimeter zal de groei trager op gang komen, omdat niet aan de  vooorwaarde van 8 graden bodemtemperatuur wordt voldaan. Maar ook in de strijd tegen onkruiden is geduld bewaren voor het inzaaien een hulpmiddel. Door twee tot drie weken voor het inzaaien het zaaibed te bereiden, kan kiemend onkruid goedkoop worden opgeruimd door een bespuiting met glyfosaat uit te voeren. Grote onkruiden die door de hoofdbewerking onvoldoende zijn ondergewerkt hoeven later niet meer met een dure tankmix bestreden te worden.

 

6. Zaaihoeveelheid aanpassen naar zaaitijdstip

Een zaaihoeveelheid van 100.000 korrels per hectare is vaak de standaard, maar naarmate het zaaimoment verlaat, moet de zaaihoeveelheid aangepast worden. Bij een inzaai voor 5 mei mag een zaaidichtheid van 95.000 korrels per hectare aangehouden worden. Daarna moet deze naar ongeveer 92.000 korrelsverlaagd worden. Bij een latere inzaai dan 5 mei zal de groei sneller verlopen. Met weinig ruimte om zich heen, zal de plant alleen in de lengte gaan groeien waardoor de stengel zwakker wordt en de kans op legering toeneemt.

 

7. Spuit op juiste moment en in juiste dosering

Het juiste moment van bespuiting is tussen het 3- en 6-bladstadium. Eerder bespuiten mist een uitwerking op onkruid dat nog niet aan het kiemen is. Als een bodemherbicide niet voldoende neerslag krijgt, kan dit onkruid alsnog gaan kiemen. Later spuiten dan het 6-bladstadium levert een hoger risico op gewasschade op. Respecteer de dosering, want in het geval van overdosering lijdt het gewas extra. Gewasschade, ook wel fytotox genoemd, heeft als gevolg dat een plant geremd wordt in groei en ontwikkeling en kan een gewas gevoeliger maken voor aantasting door ziekten en insecten als gevolg van stress. Met wiedeggen wordt een kiembedje gecreëerd waardoor onkruid gelijkmatig opkomt.

 

8. Voer ook vervolgbespuitingen uit

In de praktijk blijkt dat vervolgbespuitingen zelden worden uitgevoerd. In sommige gevallen is het echter noodzakelijk om wel degelijk vervolgbespuitingen uit te voeren, zoals bij de bestrijding van haagwinde. Ter bestrijding van dit onkruid moet er 10-14 dagen na de hoofdbespuiting nog een nabespuiting plaatsvinden. Vaak wordt deze echter niet uitgevoerd, hoewel dat noodzakelijk is om haagwinde in maïs landelijk onder controle te houden.

 

 

Schothorst bevestigt meerwaarde Retengo Plus!

Met het fungicide RetengoPlus kunnen maïstelers hun maïsgewas optimaal beschermen tegen bladvlekkenziekten. Daarbij geeft de toepassing altijd een meeropbrengst. De nieuwste berekeningen tonen aan dat de voederwaarde gemiddeld per hectare met €250 toeneemt.

Beschermt langdurig tegen allerlei soorten ziektes

Retengo Plus heeft in januari een toelating gekregen voor toepassing in maïs. Dit nieuwe schimmelmiddel beschermt het maïsgewas langdurig tegen de blad- en oogvlekkenziekten schimmelziekten. Het AgCelence-effect van Retengo Plus zorgt voor een groener vitaler en stressbestendiger gewas. Dit dubbele effect zorgt voor een hogere opbrengst in de vorm van meer zetmeel.

Meer voer van een hectare
Tussen 2009 en 2012 werden diverse PPO-proeven en praktijkproeven in Nederland gevolgd. Uit analyse van behandelde monsters blijkt dat de drogestofopbrengst gemiddeld met 850 kilogram per hectare toeneemt. Daarbij komt een plus in het VEM-getal van ruim 25 en het zetmeelgehalte neemt toe met ruim 25 g/kg ds. Kortom: meer en beter voer van een hectare.

€250 meer aan voederwaarde
Voerspecialisten van Schothorst Feed Research in Lelystad berekenden dat dit overeenkomt met een gemiddelde meeropbrengst in voederwaarde (kVEM) van € 250. Zowel bij zware als bij lagere infectiedruk is altijd een meeropbrengst vast te stellen, berekenden de voerspecialisten. Dit betekent dat de kosten van een bespuiting altijd terug verdiend worden, in de vorm van meer en kwalitatief beter voer.

Zie voor meer informatie op www.retengoplus.nl.

 

Slakkenvraat

Door het aanhoudende vochtige en koude weer gedijen slakken goed. Slakken kunnen grote schade aanrichten in pas ingezaaide graan-, graszaad- en bietengewassen. Momenteel worden meerdere maispercelen aangetroffen door slakkenvraat. Bovengronds levende slakken zijn veroorzakers van deze schade. Hieronder ziet u plaatje van een maisplaatje wat de gevolgen van slakkenvraat kan zijn.

slakkenvraat 1 plantPreventieve slakkenbestrijding van bovengronds levende slakken komt neer op wegnemen van voedselaanbod, wegnemen van schuilmogelijkheden en zorgen voor optimale groei van het gewas zodat het gewas het voor schade gevoelige stadium snel is gepasseerd. Met wegnemen van  voedselaanbod verloopt de groei en daarmee de vermeerdering van de slakken trager. Wegnemen van schuilmogelijkheden zorgt voor uitdroging en doding van slakken en aanwezige eieren. Optimale groei in het gevoelige stadium beperkt schade door aanwezige slakken.

Curatieve bestrijding van slakken is mogelijk. Er zijn slakkenkorrels op basis van metaldehyde en op basis van ferri III fosfaat beschikbaar. De meest gehanteerde dosering betreft 7 kg per hectare

Voor meer informatie van de bestrijding van slakken (lees meer..)